Ontstaan van kaarsen

waskaas

Kaarsen zorgen al duizenden jaren voor licht

Kaarsen uit het verleden zijn niet de kaarsen die we nu kennen. Kaarsen zorgen al duizenden jaren voor licht, excuses voor het ietwat foute cliché – een beetje licht in de duisternis, maar slechts weinigen weten iets over de oorsprong van de kaars. Vaak wordt geschreven dat de Oude Egyptenaren de uitvinders waren van de kaars. Zij dompelden het merg van riet in gesmolten dierenvet onder en lieten dit branden in een soort stenen houder. Toch waren dat nog geen kaarsen zoals we die vandaag de dag kennen, een lont ontbrak immers.

De eerste kaars met lont

De Egyptenaren gebruikten in 3000 v.Chr. al kaarsen met lont, maar het zijn de Romeinen die vaak worden aangewezen als de eerste echte gebruikers van kaarsen met een lont. Zij dompelden opgerolde papyrus herhaaldelijk in talg of bijenwas. De kaarsen die dit opleverde werden gebruikt om huizen te verlichten, om reizigers in de nacht te ondersteunen en speelden een rol tijdens religieuze ceremoniën.

Ook in andere landen en culturen werden kaarsen vervaardigd van diverse soorten planten en insecten, en ook in die landen speelde de kaars vaak een rol bij religieuze gelegenheden. Denk bijvoorbeeld aan Chanoeka, het Joodse feest van de lichtjes, dat draait om het aansteken van kaarsen. Ook in de bijbel staan diverse referenties naar kaarsen.

De middeleeuwen

In het westen van Europa gebruikte men voornamelijk dierenvet om kaarsen van te maken, maar dat veranderde tijdens de middeleeuwen. Toen werd namelijk de ontdekking gedaan dat bijenwas een zeer goede vervanger was voor dierenvet. Dit brandde namelijk op een ‘schone’ manier en gaf geen zwarte rook af.

Bijenwas kaarsen werden veel gebruikt in kerken, maar omdat ze nogal duur waren was het vooral de adel die ze ook daadwerkelijk gebruikten om hun huis te verlichten. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, enkele decennia later, ontdekten de vrouwen uit koloniaal Amerika het koken van een bepaald soort bessen een heldere, zoet ruikende was opleverde. Het enige nadeel was dat dit een zeer moeizaam proces was, en de populariteit van de bessen verdween al snel.

Spermawattes?

Het zou dan ook tot eind achttiende eeuw duren voordat er weer een doorbraak kwam. In deze periode groeide de walvisjacht erg hard omdat het goedje spermaceti (in het Nederlands ook wel walshot genoemd) ruim beschikbaar werd. Deze was bevindt zich in de schedel van potvissen, die er gemiddeld wel zo’n drieduizend liter van hebben. En hoe smerig dat ook klinkt, men maakte er kaarsen van die niet alleen een stuk steviger waren, maar ook nog eens vrij geurloos. Deze kaarsen worden door historici gezien als de eerste ‘standaard kaarsen’.